vermogensbelasting

Bijna 1 miljoen mensen betalen vanaf 2021 geen belasting meer in box 3 *).
Prinsjesdag bracht goed nieuws voor spaarders en beleggers.
In 2021 is het heffingsvrije vermogen in box 3 verhoogd naar € 50.000 of € 100.000 met fiscaal partner. De groep Nederlanders die box 3-belasting betaalt, daalde hierdoor per 2021 met bijna 1 miljoen mensen. Over 2020 betaalde nog iedereen met vermogen boven de € 30.846 (of € 61.692 met fiscaal partner) belasting over het meerdere. Een flinke verhoging dus. Bijvoorbeeld over spaargeld of beleggingen zoals aandelen en obligaties. Als het gemiddelde rendement 8% bedraagt (aan de lage kant) verdubbelt een vermogen na 9 jaar (Business Insider Nederland).
In de hoogste schrijf is de belasting 1,7639 % over 1 miljoen. Daar zullen de rijken niet wakker van liggen. Het neoliberale beleid dendert flink door. *)

 

het is op zich een respectabele prestatie van vermogende rijken al veertig jaar de belasting voor zichzelf te verlagen en het volk zo gek te krijgen voor hen te kiezen

vermogen
belastingen
uitgebreide versie

Er is geen redelijke rechtvaardiging te bedenken waarom het acceptabel is dat het vermogen van zeer vermogenden drie keer sneller groeit dan de ‘spaarkruimels’ van de rest van de bevolking, of nog erger, anderen die mogelijkheid zonder inspanning (investering bijvoorbeeld) wordt onthouden. “De extreme concentratie van vermogen is een exces” volgens de bekende econoom Thomas Piketty. Hij heeft becijferd dat de waarde van private vermogens hoger is dan het vermogen van overheden in de eurozone. Met andere woorden, sommigen hebben zich kunnen verrijken terwijl onze overheden in verhouding arm zijn, constant moeten lenen met als gevolg een oplopende staatsschuld. Italianen behoren – in privévermogens – tot de rijksten van Europa, maar hebben de armste overheid. In de VS is eenzelfde ‘leegroven’ al jaren de tendens. De gevolgen zijn in beide landen zichtbaar: ernstige verwaarlozing van publieke zaken, zoals bijvoorbeeld de infrastructuur.

Nederland

Ook in Nederland is een stijgende lijn zichtbaar tussen de verhouding van particulier vermogen en het nationaal inkomen (rekening houdend met pensioenaanspraken), aldus de econoom. Iemand moet de staatsschuld betalen. Het is rechtvaardiger als je meer vraagt van mensen die miljoenen hebben dan van mensen die zelf al een schuld hebben.
In het Nederlandse systeem wordt niet het vermogen, maar het fictieve rendement belast. Omdat er sprake is van een exorbitante scheefgroei in zij die niets of weinig hebben en zij die in absurde weelde leven, is er al geruime tijd een discussie met als inzet een meer rechtvaardiger verdeling van ons aller welvaart en dientengevolge rijkdom.
Het Nederlandse belastingsysteem legt de nadruk op het belasten van arbeid, en niet of nauwelijks op het belasten van vermogen (1,7 % boven een miljoen netto). Bijna alle politieke partijen zijn voorstander van een heffing op daadwerkelijke vermogenswinsten – dus de feitelijke spaarrente en het rendement op beleggingen. WHD kiest voor een andere benadering vanuit de wens voor een rechtvaardiger welvaartsverdeling en het principe van gelijke kansen voor iedereen. Indien namelijk het rendement wordt belast, zoals nu, dan is de samenleving afhankelijk van de beleggingskeuze van de eigenaar, terwijl bij een belasting op het vermogen die vrije keuze geen rol speelt. Uitgaande van die gedachte is een belastingsysteem, waarbij nadrukkelijk het vermogen (niet zelden door erfenissen of zonder inspanning verkregen) wordt betrokken, onvermijdelijk.

waarom vermogen belasten?

Bestaansrecht van de vermogensbelasting

Men kan zich afvragen waarom er überhaupt een heffing op vermogens zou moeten bestaan. Het bestaansrecht van de vermogensbelasting werd in het neoliberale tijdperk in twijfel getrokken.  Voordat een onderdeel van het vermogen als belastbaar vermogensbestanddeel wordt aangemerkt was het immers al door bestaande heffingen gegaan. Zo was het spaargeld al belast met inkomstenbelastingen en zijn erfenissen al belast met erfbelasting.
De rechtvaardiging van de vermogensbelasting rust op twee pijlers, namelijk: het gefundeerde inkomen en
de bestedingsreserve. Niet al het inkomen uit vermogen is voorheen belast via de inkomstenbelasting. Het grootste deel van de vermogens van rijken is juist niet met arbeid verkregen. Het inkomen uit vermogen wordt terecht beschouwd als inkomen dat voor een langere tijd vast staat, waar weinig onzekerheden over bestaan en waar relatief gezien weinig voor hoeft te worden opgeofferd vergeleken met inkomsten uit arbeid en het daarmee samenhangende inkomensverlies t.g.v. werkeloosheids- en arbeidsongeschiktheid.  Met andere woorden, inkomstenbelasting wordt geheven terwijl daarvoor veel inspanning geleverd moet worden en bij inkomen uit vermogen hoeft geen inspanning geleverd te worden.

Bij de bestedingsreserve wordt iemand met een flink vermogen gezien als verkerende in een bevoorrechte positie. Een vermogensbezitter zou in slechte tijden kunnen terugvallen op zijn/haar vermogen en minder afhankelijk zijn terwijl de oorzaak, bijvoorbeeld een financiële crisis of pandemie, niet aan minder vermogenden verweten kan worden. Echter, dit argument zou betekenen dat een belastingplichtige die veel spaart meer draagkracht wordt toegerekend dan een belastingplichtige die alle inkomsten onmiddellijk weer uitgeeft. Daarom moet er sprake zijn van een vrijstelling, ten einde de spaarder niet te ‘straffen’ voor zijn zuinigheid. Een van de belangrijkste argumenten voor een vermogensbelasting is het bevorderen van de horizontale gelijkheid. Horizontale gelijkheid houdt in dat belastingplichtigen met hetzelfde vermogen op een gelijke en even zware manier worden belast. Bij verticale gelijkheid zullen de vermogensverschillen kleiner worden. Hierbij worden verschillende inkomsten ook verschillend (progressief) belast. Het bestaansrecht van de vermogensbelasting berust voornamelijk op het draagkrachtbeginsel, wanneer er gekeken wordt naar de bestedingsreserve. Een vermogensbezitter kan in slechte tijden terugvallen op zijn of haar vermogen in tegenstelling tot minder vermogende personen. Naar mate het vermogen stijgt wordt de inspanning t.g.v. arbeid in verhouding tot het vermogen kleiner. Uiteindelijk kunnen vermogenden leven van het rendement, waardoor geen enkele arbeid meer verricht hoeft te worden. Daarom is de progressiviteit in belasting rechtvaardig. Er wordt in het Sociaal & Groen-voorstel dus enerzijds rekening gehouden met het argument dat een onderdeel van het vermogen voordat het als vermogensbestanddeel wordt aangemerkt al belast is (meestal inkomstenbelasting) en anderzijds worden spaarders van hun arbeidsinkomen vrijgesteld.

Het belastingstelsel kan bijdragen aan een eerlijker welvaartsverdeling; de ongelijkheid is immers bijna altijd op oneerlijke wijze tot stand is gekomen of afhankelijk van willekeurige omstandigheden. Niet alle ongelijkheid tussen mensen vloeit voort uit het vermogen van mensen om arbeidsinkomen te vergaren, maar in toenemende mate ook om kapitaalinkomen te verdienen. Hogere inkomensgroepen sparen meer, hebben grotere vermogens (ook vanwege grotere erfenissen), boeken hogere rendementen op hun vermogen (bijvoorbeeld door schaalvoordelen bij beleggingen), hebben vaker kapitaalinkomen uit eigen onderneming en richten bv’s op om de belasting op arbeid te omzeilen.

constant problemen

De vermogensrendementsheffing in box 3 staat al een tijd ter discussie. Veel belastingplichtigen beschouwen het belasten van een forfaitair rendement als onrechtvaardig gelet op de huidige rentevergoeding op banken spaartegoeden. Zij vinden dat deze forfaitaire rendementen niet in verhouding staan tot de daadwerkelijk behaalde rendementen. Dit gevoel van onrechtvaardigheid was voor meerdere belastingplichtigen aanleiding om massaal bezwaarschriften in te dienen over het belastingjaar 2013 om de juridische legitimiteit van de vermogensrendementsheffing aan te vechten.  Zij haalden als argument aan dat het verschil tussen het forfaitaire rendement en het werkelijk te behalen rendement in strijd was met artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad heeft hier uiteindelijk geconcludeerd dat de vermogensrendementsheffing slechts in strijd zou zijn met art. 1 EP EVRM “indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijk tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last”.  Voor de wetswijziging van 1 januari 2017 was er dus geen sprake van strijdigheid met art. 1 EP EVRM.
Uiteindelijk heeft het kabinet zich over deze kwestie gebogen en werd in het Belastingplan 2016 een
herziening van de vermogensrendementsheffing opgenomen. Het streven van deze wetswijziging was om
beter aan te sluiten bij het daadwerkelijk behaalde rendement. Het forfaitaire rendement van 4% veranderde naar een gedifferentieerd forfaitair rendement. De forfaitaire heffing blijft dus bestaan, maar wel met zo veel mogelijk aanpassingen dat het de aansluiting met het werkelijke rendement beter moet maken.

De vermogensrendementsheffing is daarom per 1 januari 2017 ingrijpend veranderd. De heffing blijft gebaseerd op een forfaitair rendement, maar het veronderstelde rendement is aangepast aan de hoogte van het vermogen in box 3. Desalniettemin blijft er kritiek bestaan op de vermogensrendementsheffing, aangezien in de praktijk het forfaitaire rendement nauwelijks wordt gehaald, vinden veel belastingplichtigen dat ze te zwaar worden belast.

Sociaal & Groen voorstel

Sociaal & Groen wil af van deze langlopende discussies en gevoel van onvrede. Sociaal & Groen wil herinvoering van de vermogensbelasting (rendementsheffing vervalt) volgens het schijventarief waarbij de eerste € 50.000 vrij is, voor fiscale partners geldt het dubbele.

netto vermogen percentage belasting fiscale partners belasting
0                 –    50.000         0    0    100.000      0
     50.000  –    125.000         1     500   –   1.250    250.000       1.000    –    2.500
   125.000   –    250.000        2                –   2.500    500.000                      –    5.000
   250.000  –     500.000        3                –   7.500 1.000.000                      –  15.000
   500.000  –    750.000       4                – 10.000 1.500.000                      –  20.000
   750.000   – 1.000.000       5                – 12.500 2.000.000                      –  25.000
1.000.000   –    7,5

voorbeeld uitwerking:
Belastingplichtige heeft een netto vermogen van 1,5 miljoen. De belasting wordt dan (eerste 50.000 respectievelijk 100.000 vrij) €  70.750,- voor een alleenstaande, dat is 4,17% over het totale vermogen.

belastingontduiking opheffen


https://nieuwsociaalengroen.nl/progressieve…/
*) bron: http://www.rijksoverheid.nl/…/belastingwijziginge…/box-3

Geef een antwoord