Artikel 23: bijzonder onderwijs

Dit Grondwetsartikel blijkt een basis voor discriminatie, uitsluiting en anti-democratische krachten te zijn in het onderwijs. Onderwijsvrijheid is een relict uit de tijd waarin christen-democraten het in Nederland voor het zeggen hadden. De huidige seculiere meerderheid wil er dus vanaf.

 

 

onderwijs mag nooit een speelbal van politiek of religie zijn

kinderen school
onderwijs

 

uitgebreide versie

De overheid moet zorgen voor goed onderwijs. Het geven van onderwijs is echter voor iedereen in Nederland vrij. De overheid stelt alleen eisen aan de kwaliteit van het onderwijs. Daarnaast moet de overheid voor voldoende openbaar onderwijs zorgen.

Het huidige Grondwetsartikel (artikel 23) dateert grotendeels uit 1917. In dat jaar werd na jarenlange strijd een politiek compromis bereikt, waardoor er financiële gelijkstelling kwam tussen bijzonder en openbaar onderwijs. Met name de liberalen verzetten zich lange tijd tegen subsidiëring door het Rijk van het bijzonder onderwijs (destijds katholieke en protestants-christelijke scholen).

Bij de vrijheid van onderwijs staat momenteel vooral de vraag centraal in hoeverre die vrijheid door andere grondwettelijke rechten wordt beperkt. Vraag is bijvoorbeeld hoe het op basis van de grondslag van de school weigeren van homoseksuelen zich verhoudt met artikel 1 (antidiscriminatiebepaling) van de Grondwet.
De Schoolwet van 1806 legde het al in 1795 ingevoerde beginsel van klassikaal onderwijs vast. Doelstelling van het onderwijs werd de opvoeding tot maatschappelijke en christelijke deugden.

‘eeuwige discussie’

Bijna de hele 19de eeuw stond in het teken van de zogenoemde schoolstrijd, waarvan de inzet was: moet de rijksoverheid naast de openbare (‘neutrale’) scholen ook de bijzondere scholen (op een levensbeschouwelijke grondslag) bekostigen? In 1917, bij de totstandkoming van de ‘pacificatie’, kregen de voorstanders van financiële gelijkstelling hun zin: religieuze scholen kregen dezelfde financiële steun als openbare scholen.

botsende vrijheden

In die alsmaar oplaaiende onvrede gaat het vooral om de verenigbaarheid van dit artikel 23, waarin de vrijheid van onderwijs is vastgelegd, met artikel 1 – dat bepaalt dat ‘iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld’.
De vraag kan worden gesteld of de vrijheid van onderwijs niet strijdig is met andere waarden in onze samenleving. De vrijheid van onderwijs biedt niet-openbare scholen immers de mogelijkheid hun eigen normen- en waardenstelsel uit te dragen. Zo worden homoseksuele docenten op sommige scholen geweerd en krijgen leerlingen mogelijk een eenzijdig wereldbeeld voorgeschoteld.
De vrijheid van onderwijs geeft verder, zo menen sommigen, met name islamitische scholen te veel vrijheid om een afwijkend normenstelsel te onderwijzen.

toelating leerlingen

Het openbaar onderwijs kent een waarborg voor toegankelijkheid voor alle leerlingen, zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing. Feitelijk kunnen openbare scholen geen leerlingen weigeren. Het bijzonder onderwijs mag aan ouders van leerlingen vragen de grondslag en de richting van de school te onderschrijven. De vrijheid voor bijzondere scholen om leerlingen te weigeren, is dus veel groter. Openbare scholen krijgen daardoor bijvoorbeeld meer toeloop van leerlingen van niet-Nederlandse herkomst.
De vraag is of de vrijheid van onderwijs in dit geval niet te veel vrijheid en rechten geeft aan bijzondere scholen.
De huidige onderwijswet gaat dus terug naar de eerste grondslagen zo’n 200 jaar geleden. Inmiddels is de samenleving volledig veranderd. De wet is behoorlijk verouderd, past niet meer in de moderne geseculariseerde samenleving.

Onderwijsvrijheid is een relict uit de tijd waarin christen-democraten het in Nederland voor het zeggen hadden. De huidige seculiere meerderheid wil er dus vanaf.

Klassieke christenen en moslims willen het huidige systeem behouden omdat het een instrument is hun geloof te bestendigen waarmee onderwijs een middel voor discriminatie en tegen ‘genderideologie’ is gebleken.

“Een tweedeling op het onwaarschijnlijke niveau van levensbeschouwing sloeg de Nederlandse democratie een goed deel van de twintigste eeuw uit het lood”

                   historicus Johan Snel 

Vanuit het perspectief van protestants-christelijke en rooms-katholieke Nederlanders was de financiele gelijkstelling een succes omdat ze de langdurige dominantie van de christen-democratie inluidde (pas in 1994 trad het eerste kabinet zonder christen-democraten aan). En waar openbaar onderwijs in de 19de eeuw de norm was, is het bijzonder onderwijs dat geworden tot op de huidige dag: al vele decennia bezoekt zo’n 60 procent van de kinderen in Nederland een school op protestants-christelijke of rooms-katholieke grondslag terwijl nog maar een slinkende minderheid zichzelf al ‘religieus’ bestempelt.
In de praktijk is daar weinig van te merken omdat de bijzondere scholen naast de leer van de bijbel ook de evolutieleer enige ruimte geeft. Echter met de komst van andere religies is die ‘religietolerantie’ in een ander vaarwater gekomen.
Erdogan, de Turkse semi-dictator, heeft enige tijd geleden andere maatschappijvisies (seculiere, evolutieleer) in het onderwijs verboden omdat dat ‘slechts tot verwarring’ zou leiden.

In de jaren dertig van de vorige eeuw liet deze onderwijsvrijheid ook de vestiging van enkele Duitse scholen toe. Die moesten zich weliswaar naar de Nederlandse wet voegen, maar stelden de leerlingen ook bloot aan nazistische indoctrinatie.
Ook Baudet begint zich steeds openlijker uit te laten voor ‘eigen’ onderwijs. Onze kinderen zouden volgens Baudet blootgesteld worden aan ‘extreemlinks gedachtengoed’.
Volgens een verslag in NRC over een bijeenkomst van FvD zei Baudet dat “de invloed van links gedachtegoed in het onderwijs” een doorn in zijn (semi-fascistische) oog is.
Volgens Baudet worden scholieren en studenten blootgesteld aan ,,extreemlinkse’’ hoogleraren, docenten en lesmaterialen. Hij streeft een „culturele transformatie” na. Dit doet denken aan de jaren ‘30 in nazi-Duitsland, maar dan gepolijst naar meer verteerbare normen.
Alle culturele en maatschappelijke instituties in Nederland zijn in zeer hoge mate geïnfiltreerd door linkse activisten.”, aldus Baudet. „Wij moeten, heel langzaam, achter al die bureautjes onze mensen zien te krijgen.’’

Banden met terreurorganisatie

In de huidige tijd genieten islamitische scholen protectie van artikel 23. Zij kunnen slechts door de overheid worden aangepakt als het onderwijsniveau onder de maat is of als – zoals bij het Haga Lyceum in Amsterdam – de school naar het oordeel van de onderwijsinspectie door wanbestuur wordt geteisterd, maar niet vanwege het uitdragen van een geloofsovertuiging die in strijd is met de kernwaarden van de Nederlandse Grondwet.
Het kabinet meldde dat het Cornelius Haga Lyceum een bezoek van de onderwijsinspectie had verhinderd. Ook meldde het kabinet dat op die school salafistische aanjagers actief waren en kinderen denkbeelden probeerden mee te geven die ingaan tegen de rechtsstaat en tegen de democratie. Bestuurders van de school hadden banden met een terreurorganisatie.
De gemeente eiste het vertrek van het schoolbestuur. Verschillende islamitische organisaties sloten zich daar bij aan. Het kabinet kondigde onderzoek en wetswijziging aan.
Maar de school is nog open en het bestuur zit er nog.

Eveneens met rugdekking van artikel 23 menen enkele reformatorische scholen van de ouders een verklaring te mogen verlangen waarin ze – in de geest van de school – homoseksualiteit afwijzen. Daarmee hebben ze mogelijk een strafbaar feit gepleegd. Nadat de Kamer daar lastige vragen over had gesteld, raakte minister Arie Slob verstrikt in de strijdigheid tussen de vrijheid van onderwijs en de gelijkheidsbeginselen van Grondwetsartikel 1. Op seculier Nederland ging hiervan slechts de aanmoediging uit om – niet voor het eerst – afschaffing van dat anachronistische artikel 23 te bepleiten.
Het is duidelijk dat de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid met elkaar kunnen botsen, zeker als mensen deze rechten tegen elkaar uitspelen’, erkent René de Reuver, scriba (secretaris) van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).

Onderwijsidealen van schooldirecteuren en eigen interpretaties van onderwijswaarden kunnen uitmonden in hobbyisme en persoonlijke opvattingen. De onderwijsvrijheid laat ruimte­­ voor experimenten van schoolleiders en ouders, ook die met een verkeerde afloop.
Als er sterke maatschappelijke aanwijzingen zijn dat het stelsel moet veranderen om dat te voorkomen, zoals een groeiende tweedeling in de bevolking tussen kansarmen en kansrijken, kun je daar als samenleving niet langer omheen.

Mag je als jongen een vriendje hebben hier op school?’ Die vraag stelde Tim Hofman in zijn programma BOOS aan een directeur van een school uit Goes. Het antwoord? “Je mag wel homo zijn, maar niet homo doen.”
School moet een fijne en veilige plek zijn, waar alle kinderen gelijke kansen krijgen en altijd zichzelf mogen zijn.
Het reformatorische Hoornbeeck College in Amersfoort weigert een leerling omdat er bij hem thuis televisie en internet zijn. Bovendien draagt zijn zusje een lange broek. De rechter heeft deze handelwijze goedgekeurd vanwege de vrijheid van onderwijs (artikel 23). Sociaal & Groen vindt dergelijke eisen niet meer van deze tijd.

Scholen met pedagogische achtergrond

Artikel 23 heeft ook de vestiging van scholen op een pedagogische grondslag mogelijk gemaakt. Er zijn bijvoorbeeld Montessorischolen, Daltonscholen en Jenaplanscholen. Deze scholen kunnen openbare scholen zijn, maar ook bijzondere scholen. In de praktijk blijken deze vormen van onderwijs in een behoefte te voorzien, zijn er geen problemen t.a.v. de kwaliteit en is het onderwijs, anders dan bij levensbeschouwelijke scholen, gestoeld op pedagogische methodieken.

Gelijkheid in kansen en onderwijs

Een grote gelijkmaker kan je het Nederlandse onderwijs niet noemen. Geconfronteerd met zware maatschappelijke problemen als kansenongelijkheid of polarisatie tussen bevolkingsgroepen, problemen die met onderwijs waarschijnlijk voor een deel zouden kunnen worden opgelost, staat de politiek nu grotendeels machteloos. Het zou kunnen helpen als de publieke waarden gelijkheid, vrijheid en ontmoeting niet alleen in het openbaar onderwijs, maar aan alle Nederlandse scholen verplicht worden gesteld. Maar dan moet artikel 23 worden afgeschaft.

Standpunt Sociaal & Groen

Art. 23 moet worden afgeschaft om vast te leggen dat niet de vrijheid van het schoolbestuur, maar de vrijheid van kinderen voorop staat.  Goed onderwijs en een veilige schoolomgeving moeten grondwettelijk zijn vastgelegd. We moeten  in de Grondwet vastleggen dat we in Nederland streven naar gelijke kansen en gelijk onderwijs voor alle kinderen.

De verplichtstelling voor openbaar onderwijs betekent geen inperking van de vrijheid van meningsuiting van onderwijsgevend personeel of de leerlingen. Iedereen mag voor zijn of haar levensovertuiging uitkomen. De keuze die Sociaal & Groen maakt betreft het onderwijsprogramma, niet de persoonlijke overtuiging.

a) Er moet kwalitatief goed onderwijs worden geven waarbij elk kind gelijke kansen krijgt;

b) Er moet een acceptatieplicht komen. Kinderen mogen niet meer worden geweigerd door een school, bijvoorbeeld op basis van geaardheid, afkomst of hoe hun ouders in het leven staan;

c) Elke school wordt verplicht om les te geven in burgerschap, artikel 1 van onze grondwet wordt nageleefd en de waarden van onze democratische rechtsstaat worden meegegeven;

d) alle onder de leerplicht vallende of door de overheid gesubsidieerde scholen zijn verplicht een politiek en levensbeschouwelijk neutraal openbaar onderwijs te geven;

e) kinderen kunnen geen ontheffing van de leerplicht meer krijgen op grond van een geloofsovertuiging en scholen mogen geen leerlingen meer weigeren op basis van hun identiteit;

f) ten gevolge van de onder e) genoemde voorwaarde mag religiositeit of politieke voorkeur geen onderdeel meer zijn van de selectie van onderwijsgevend personeel;

g) scholen zijn vrij een pedagogische onderwijsmethode te kiezen, zoals bijvoorbeeld  Montessorionderwijs, Jenaplan, Delton- of de Vrije School. Dat is immers iets anders dan een politieke of levensbeschouwelijke overtuiging.

h) vrijheid van onderwijs betekent voor Sociaal & Groen dat kinderen en leraren op school voor hun politieke voorkeuren, geloof en geaardheid moeten mogen uitkomen en zich daar veilig bij moeten voelen en zijn.

publieke waarden

Goed seculier onderwijs, gelijke kansen voor kinderen en school als veilige plek zijn het waard om grondwettelijk te worden vastgelegd en beschermd. Want de wijk waar je woont, van wie je houdt, je religie of wie je ouders zijn, mogen nooit bepalend zijn voor je toekomst. School is een gelijk startpunt voor ons allemaal.
Geloven in geesten, god(en), religies of andere theorieën is een privé-zaak. Als ouders hun kinderen wat anders willen vertellen dan hetgeen wordt gedoceerd, is dat een privé-aangelegenheid. Eenduidigheid in onderwijs, gelijke kansen, veiligheid en leerlingen-gelijkwaardigheid zijn voor Sociaal & Groen publieke waarden.

Geef een antwoord